gras
Plantaardig restmateriaal dat niet concurreert met de voedselvoorziening is vaak moeilijk af te breken tot bio-ethanol, maar dankzij een verbeterde technologie ontwikkeld door TNO komt commerciële toepassing in de industrie nu in zicht voor de grotere partijen.

Eerste generatie biobrandstoffen worden geproduceerd uit gewassen die geschikt zijn voor menselijke consumptie, zoals suikerriet en maïs. Dit heeft als nadeel dat bij grootschalige productie de voedselvoorziening in het gedrang zou kunnen komen. De discussie over de productie van palmolie in tropische landen is een voorbeeld van de mogelijke bezwaren. Bij ‘tweede generatie’ biobrandstoffen is de grondstof lignocellulose uit plantaardig afval. “Je kunt denken aan houtafval, grassen, stro en GFT-materiaal”, zegt Peter Punt (senior scientist bij TNO). “Het gaat om plantaardig restmateriaal dat anders hoogstens verstookt wordt. Het is niet geschikt voor consumptie. Probleem van dit materiaal is echter dat het veel lastiger is om er ethanol uit te produceren. Het lukte tot voor kort niet om de lignocellulose effectief om te zetten in bio-ethanol. De technologie is bekend, maar nog niet commercieel aantrekkelijk.”

Doorbraak

TNO heeft enkele jaren gewerkt aan verbetering van de technologie. Die is nu ver genoeg doorontwikkeld om commerciële toepassing mogelijk te maken. Punt licht toe: “Voor het omzetten van lignocellulose in bio-ethanol zijn enzymen nodig. De crux is de juiste mix van enzymen te vinden. In het omzettingsproces moet een enzymencocktail inwerken op de biomassa. TNO heeft 25 jaar ervaring met onderzoek naar schimmels en enzymen. Op basis van die kennis is het ons gelukt om beter werkzame enzymen te vinden, en ook uit de vinden aan welke ‘knoppen’ moet worden gedraaid om lignocellulose effectief om te zetten.” Hoe bijzonder is dit? Punt: “De wereld wacht al minstens tien jaar op een techniek om lignocellulose effectief om te zetten in bio-ethanol. Die komt nu binnen handbereik.”

Eerste fabriek

Met de technologie van TNO kan een proeffabriek worden opgestart. Daarvoor zijn grote commerciële partners nodig. Projectmanager Jasper Kieboom vertelt dat er in het kader van een EU-project is samengewerkt met een ethanolproducent om de eerste Europese fabriek van tweede generatie bio-ethanol voor te bereiden. Om bedrijfseconomische redenen bouwt deze onderneming de fabriek echter niet in Europa maar in de Verenigde Staten. Kieboom spreekt van ‘uitstel maar geen afstel’. “Dit is de technologie van de toekomst. Die ‘tweede generatie’ fabrieken gaan er op korte termijn komen, daar zijn we van overtuigd. Met de forse klimaatuitdagingen die Europa heeft en het schaarser worden van fossiele brandstoffen is er veel behoefte aan duurzaam geproduceerde ethanol. Maar niet alleen ethanol. Uit deze basisstof kunnen ook andere duurzame chemische bouwstenen worden gewonnen.”

Industrie

Punt en Kieboom zien de toepassing van de door TNO ontwikkelde technologie niet primair in de productie van biobrandstoffen. Kieboom: “Dat komt omdat er andere schone alternatieven zijn voor fossiele brandstoffen, met name wind en zonne-energie.” Punt: “Wij zien de toepassing van lignocellulose processen veel meer in de chemische industrie. Nu het mogelijk wordt om commercieel rendabel lignocellulose als grondstof te gebruiken, kan deze technologie in de industrie worden gebruikt voor de productie van andere producten die nu nog uit olie worden geproduceerd. Denk aan plastics. Dat vind ik persoonlijk de grootste winst. Met de productie van lignocellulose ethanol kun je nu veel breder gaan denken dan biobrandstoffen alleen.” Een nieuw door TNO geleid EU-project — BIOCONSEPT — houdt zich bezig met deze nieuwe ontwikkelingen.


Meer lezen over: , ,

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Reactie plaatsen

Je moet ingelogd zijn om reacties te posten.