Hoewel veel mensen de elektrische auto (EV) als een verschijnsel van de 21ste eeuw zien, is de werkelijkheid anders. De eerste EV’s stammen uit het prille begin van de auto-industrie, meer dan een eeuw geleden, en deden destijds niet onder voor hun benzine-aangedreven soortgenoten.

In het laatste kwartaal van de 19e eeuw kwam het gemotoriseerde vervoer pas net op gang. In de jaren ’30 van die eeuw werd er echter reeds geëxperimenteerd met elektrisch aangedreven schaalmodellen. Immers: de verbrandingsmotor moest nog uitgevonden worden, en elektriciteit was reeds voorhanden.

Wij Nederlanders zien in de Groninger professor Sibrandus Stratingh graag de uitvinder van de eerste EV. Dat was in 1835 ook zo, alleen betrof het hier een schaalmodel. Types waarin ook daadwerkelijk te rijden viel kwamen pas laat in de tweede helft van de 19e eeuw.

Tegen die tijd was de technologie van de batterijen verbeterd, maar naar hedendaagse maatstaven waren het nog steeds loodzware, inefficiënte dingen. Desalniettemin was de stand van de techniek inmiddels zo ver dat er een praktische, commerciële toepassing voor EV’s (Elektrische Voertuigen) mogelijk was. In 1899 werd er zelfs een recordsnelheid van 110 km/u met een elektrische auto gehaald.

Ten tijde van de eeuwwisseling deden elektrische auto’s niet onder voor conventionele auto’s: met een EV reed je geruisloos, redelijk comfortabel, en bovendien had je in de open auto’s van weleer geen last van lawaai of uitlaatwalmen om je heen. Voor met name de vrouwelijke bestuurders speelde bovendien mee dat je bij een EV niet hoefde te schakelen (een hels karwei in die tijd), en ook het starten er van ging niet via een zware (en oncharmante) zwengel. Bovendien bleef het verkeer grotendeels beperkt tot de stad, waardoor het beperkte bereik van de EV’s geen probleem was.

Stoom en elektriciteit waren aanvankelijk de meest gebruikte krachtbronnen voor auto’s. Maar een nadeel van elektrische auto’s was de aanschafprijs. Bij EV’s werd, nog meer dan bij auto’s met een verbrandingsmotor, gemikt op de zeer welvarende klasse, waardoor de aanschafprijs van EV’s stukken hoger lag dan die van conventionele auto’s. Bovendien viel met de komst van de elektrische starter (eerste toepassing in 1911) het argument tegen ‘zwengelen’ weg.

Met het uitbreiden van de wegenstelsels werden de af te leggen afstanden groter, en het bereik van de EV’s plotseling weer een bezwaar. Bovendien groeiden de olievoorraden, wat de prijs van fossiele brandstoffen drukte. Ook het bereik van auto’s met een interne verbrandingsmotor werd snel groter, alsook de topsnelheid, waarmee elektrische auto’s minder belangrijk werden. Tevens zorgden de loodzware accu’s van EV’s op de vaak onverharde buitenwegen regelmatig voor vastzittende auto’s. Toen Henry Ford daarnaast begon aan de destijds revolutionaire massaproductie van de auto, werd het prijsverschil tussen beide types auto zo groot, dat dit de nagel aan de doodskist van de elektrische auto betekende.

Vanaf grofweg 1930 begon de elektrische auto derhalve aan een lange winterslaap, waaruit hij pas in de jaren ’60, na 3 decennia ontwaakte. Wordt vervolgd.


Meer lezen over: ,

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen

Reactie plaatsen

Je moet ingelogd zijn om reacties te posten.